Geschreven door Iren Nooren op Wednesday 3 December 2003

De canzo en de onbereikbare vrouwen van Mucha

Mucha onbereikbare vrouwen

Illustratie © Alphonse Mucha 24 juli 1860 – 14 juli 1939

Mijn bewondering voor het werk van Alphonse Mucha is iets waar ik graag over vertel. Mucha is voor mij één van de grondleggers van de grafische vormgeving en meester van het affiche.
De ‘canzo’ is voor mij het literaire beeld van zijn onbereikbare vrouwen. Ik weet niet of Mucha dit 12de eeuwse literaire genre kende. Het is de mooiste wijze waarop het thema ‘onbereikbare vrouw’ in woorden wordt beschreven. Zoals in de Canzo ‘De dag is lang…’

Een canzo is een liefdeslied gezongen door troubadours dat een nederige minnaar bond aan een hoogstaande, adelijke en onbereikbare vrouw, zoals Mireille en ik onze digidame Johanna van Polane voorstelde, verbonden aan de bezoeker van onze website.
Johanna bestond enkel nog in het domein (de website) van Polane Reclame Ontwerpbureau. Onbereikbaar voor de bezoeker.

In de troubadourscode neemt het begrip ‘joie’ (= de vreugde die uit lijden bestaat) een centrale plaats in. In het gedicht “de dag is lang…” wordt de grondparadox van de troubadourscode verwoord, de amor de lonh = liefde van ver, het onvervuld verlangen. Naar iets verlangen, puur lijden, is heftiger dan het inlossen van het verlangen. Wat meestal als teleurstellend wordt ervaren.

De dag is lang in mei: ik hoor
zoet zingen van vogels van ver.
Breng ik mijn dagen elders door,
steeds heugt mij een liefde van ver.
Ik hoor of zie, peinzend gebukt,
Geen zang of meidoorn die verrukt –
De koude winter staat mij aan

Vervuld van vreugde vraag ik haar
om Godswil onderdak, zo ver.
Wil zij, dan vind ik herberg waar
zij nu verblijft, al ben ik ver.
Hoofse gesprekken voeren wij,
de verre minnaar zó dicht bij,
door schone woorden aangedaan.

Met liefde laat ik mij niet in,
tenzij ik zie mijn lief van ver:
zo lief en mooi als ik bemin,
weet ik niemand, nabij of ver.
Zo puur is zij aan mij verschenen
dat ik me door Sarracenen
om haar graag liet in boeien slaan.

O God die schiep wat komt en gaat,
die vormde de liefde van ver,
Geef mij kracht (ik heb het hart niet),
Te zien deze liefde van ver:
Werkelijk en in zo’n verblijf,
dat tuin en kamer waar zij blijft,
mij als domein voor ogen staan.

Gelijk heeft wie me gierig heet,
en gretig naar liefde van ver.
er is geen vreugd waar ik van weet,
dan genot van liefde van ver.
maar wat ik wil, is mij ontzegd.
Mijn voogd heeft mij opgelegd:
zonder liefde mijn weg te gaan.

Maar wat ik wil is mij ontzegd:
vervloekt die mij heeft opgelegd
zonder liefde mijn weg te gaan.

(bron = Canzo van Jaufré Rudel)

.

Lees meer berichten over Johanna van Polane

Leave a Reply